Een ode aan… Tim’s heerlijk burgerlijke bananenpyjama

Ik start standaard bij het stapeltje kleren voor mijn nachtkastje. Vervolgens glijdt mijn blik met één vloeiende hoofdbeweging – oefening baart kunst – onder het bed. Pas dan gaat de kledingkast open. Mijn handen passeren allerhande shirts, truien, broeken en een bonte verzameling voetbaltenues. Aanvankelijk nog voorzichtig, de wanorde na mijn vorige zoektocht respecterend, maar met elke teleurstelling wat minder beheerst.

Zo moet een verslaving voelen, beeld ik me in. Het gejaagde tasten naar een pakje peuken dat, ergens weet je het al, uren geleden al leeggeroofd is.

Het zou niet zo moeilijk moeten zijn. Niets in mijn garderobe is zo lieflijk babygrijs. Op geen enkel ander kledingstuk zijn de bananen zo groot afgedrukt, zo smakelijk zachtgeel, met van die subtiele zwarte stippen die enkel rijpheid verraden. ‘Tim’s bananenpyjama’, in de volksmond. Een titel die ik inmiddels maar overgenomen heb, al zou ik ‘m overal liever dragen (echt overal!) dan in bed. Pyjama’s… belachelijke uitvinding.

Het is op zulke momenten dat mijn zelfverkozen gebrek aan structuur me wreekt. Ik heb niet één omkleedplekje, voor de spiegel in de slaapkamer, zoals ‘normale’ mensen. Ik doe het overal in huis. Van de woonkamer tot de badkamer, van de gang tot zolder. En flikker het afgedankte spul vervolgens zonder na te denken in de verste hoek.

Geen probleem zolang het inwisselbare kleren betreft. Maar als je er écht even picobello uit wilt zien, als je dat ene kledingstuk nodig hebt waar je je net wat sterker in voelt, kan het een bijzonder storende gewoonte zijn.

De zolder. In de wasmand. Mijn vrouw – ik mag haar tegenwoordig ‘mijn vrouw’ noemen – heeft ‘m natuurlijk alwéér op de wasstapel gesmeten, ook al heb ik ‘m pas twee uurtjes gedragen sinds de vorige keer dat-ie onnodig zeiknatte rondjes draaide. Ja, nee, natuurlijk, dat kan zij ook allemaal niet weten, als ik het overal maar rond laat slingeren. Maar toch. Verdomme. Straks ligt er weer zo’n vies sportshirt overheen te zweten.

Ja hoor, daar is de bananenbroek al. Als een parel in een zwijnenstal. Schoon glinsterend tussen het afval, de bananen nog altijd even watertandend geel.

Of nee… wacht even Tim. Dit is je al vaker overkomen. Veel vaker zelfs. Het zal toch niet weer de bananenbroek van je vrouw zijn?

Sinterklaas was reeds in Zaanstad aan land gekomen toen een oud-collega me in november 2018 op het hoogtepunt van mijn verlanglijstjesstress op het bestaan van de bananenpyjama wees. Hij had er ook één, zei hij erbij. ‘En kijk, Jesse Klaver, die heeft een eikeltjespyjama’. Nou heb ik zo mijn twijfels bij die hele Jessias-verheerlijking, maar je moet het die man nageven: hij heeft potverdorie wel stijl. Dat haar. Die kekke hagelwitte blousejes. Alsof hij zo uit een catalogus voor politici is komen skateboarden. (Is skateboarden nog cool?)

Het was de dag erna dat mijn vrouw – toen nog gewoon Hester – me dé vraag stelde. ‘Mag ik er ook zo één nemen?’ Ik weet niet precies wat haar idee daarbij was, misschien vond ze ‘m wel gewoon mooi. Voor mij stond het voor iets groters. Voor een dikke middelvinger naar het burger-zijn. Juist door zoiets samen te dragen – het ultieme bewijs van burgerschap – zouden we ons er keihard tegen afzetten. Die knipoog begrijpen mijn vrienden vast wel, dacht ik, wanneer ze het ons zien dragen in ons prefab-rijtjeshuis met IKEA-inrichting en schommel in de achtertuin.

Naast onze traditionele blitse staphemdenavond heeft mijn vriendengroep elk weekendje weg nog een catwalk-moment. De brakke-ochtendoutfit, steevast de morgen na blitse staphemdenavond, is weliswaar officieus en onbesproken, maar daarmee niet minder belangrijk. Je telt tegenwoordig niet meer mee als je in een afgeragde joggingbroek en afgedankt T-shirt op de bank neerploft. De één komt jasje-dasje naar beneden, inclusief zonnebril met van die belachelijk grote glazen, de ander draagt enkel een vieze witte mannenslip met oude bruine vlekken. Hoe excentrieker de kledij, des te cynischer het ontvangst.

(Dat is positief. Vertrouw me maar in deze.)

Ik ga er niet over liegen. Een klein kriebeltje in de buik vergezelde me toen ik me die bewuste ochtend in mijn bananenpyjama hees. Het wedstrijdtenue-aankleedmoment, vlak voor de return van mijn kwartfinale van de Champions League. (Ik wilde eerst ‘finale’ schrijven, maar dat zou natuurlijk bespottelijk zijn.)

Al op de trap naar de woonkamer van ons Ardense vakantiehuisje waren ik en mijn pyjama het gewilde slachtoffer van de eerste sarcastische grap. Een moment liet ik alle zalige zoetzure kritiek op me neerdalen, voordat ik het nonchalant – te enthousiast is natuurlijk niet cool – ter sprake bracht. ‘Hester heeft precies dezelfde.’

Stilte.

Nee, weet ik nu. Dat begrijpen ze niet. Fuck… Begrijp ik het zelf nog wel? Dit was toch Rock & Roll? Waarom voelt het dan alsof we ons met deze dubbelaankoop vrijwillig in het burgerlijke bananmaatpak hebben gehesen?

Wat is er nog over van de student die gedurende een hele dag alleen de goedkoopste kilobak lasagne at, zodat hij meer geld had om die avond te drinken? Van de jongen die te lui was om de band van zijn fiets te plakken, en dus wekelijks vele nutteloze uren besteedde aan het lopen van en naar de stortplaats van 12 vierkante meter die hij ‘thuis’ noemde.

Elke avond ruim ik beneden Pelles rommel op – en mijn eigen. Ik vind stofzuigen best oké, doe regelmatig een wasje, en hang het soms nog op ook. Drinken doe ik nog wel, maar meestal met mate. En ik word gelukkig van koken – ja, gelukkig is het goede woord – vooral als het lekker lang duurt. Van het geluid van een stoofpotje dat staat te pruttelen. Prachtig woord is dat eigenlijk hè; ‘pruttelen’?

Het is niet dat ik mijn vrouw het genot van die bananenpyajama misgun. Maar haar schaamteloze, terechte kopieergedrag heeft me wel lelijk met mijn neus op de feiten gedrukt. Ik behoor tot de Dark Side, de burgers.

En wat nog veel erger is. Het geeft me telkens weer de valse hoop dat ik mijn heerlijk burgerlijke bananenpyjama gevonden heb.

Ook nu weer. Zenuwachtig gaan mijn handen de binnenkant van de broek af, op zoek naar de verlossende ‘M’ op het boordje. Mijn hart bonkt net wat harder dan je, als je het tafereel nuchter beschouwt, zou verwachten. ‘S’, lees ik uiteindelijk. Shit.

Vaak is dit het moment dat mijn hoop verliest. Dat ik terneergeslagen in mijn dwangbuis klim. Een schurende spijkerbroek en beknellend shirt. ‘Ach’, denk ik dan, relativerend dat het een aard heeft, ‘over een uurtje of twee moet-ie toch weer uit. Dan moet ik naar buiten.’ (Sinds de keer dat er smakelijk om me is gelachen in de rij bij het zwembad, voel ik me buiten toch een beetje naakt met mijn bananenpyjama aan.)

Nu geef ik niet op. Het is april 2020. Corona beleeft zijn hoogtijdagen, ik zit de hele dag binnen. Het vooruitzicht van minstens veertien hemelse uren in mijn bananpyjama geeft me nieuwe energie. Ik open laatjes die ik nog nooit heb geopend, zoek in hoekjes die ik met stofzuigen altijd links laat liggen. Duw het matras omhoog – je weet maar nooit.

En trek tot slot nog één keer de kledingkast open. Ja hoor, daar ligt-ie. De broek én het shirt, keurig opgefrommeld achter een scheef stapeltje truien. Ik had het kunnen weten. Daar tref ik mijn pyjama namelijk bijna altijd aan, nadat ik ‘m als vermist heb opgegeven.

Misschien is dat het, denk ik, terwijl mijn benen door de o-zo-zachte pijpen glijden. Misschien ben ik juist dánkzij die traditionele zoektocht wel zo aan mijn bananenpyjama gehecht, omdat het me – samen met de steeds spaarzamer wordende bezoekjes aan shotjesbar Chupitos – nog het meest doet denken aan mijn vroege studentenjaren, toen dat kamertje aan de Acaciastraat mijn eigen Bermuda-vierkantje was. Dat het me doet beseffen dat mijn nieuwe hang naar comfort en zekerheid weliswaar mijn gedrag heeft aangepast, maar – hoera! – niet mijn karakter.

Misschien is dat het. Of misschien houd ik zoveel van mijn bananenpyjama, omdat-ie gewoon berelekker zit.

Een ode aan… Tim’s heerlijk burgerlijke bananenpyjama

Zoeken:

Heb je een vraag?
Stuur ons nu een bericht!
Colofon Contact