De zonnige schaduwzijde van schelden

Sinds hij zijn zoontje Pelle helpt leren praten, is onze redacteur Tim op een heel andere manier naar taal gaan kijken. Zijn persoonlijke ontdekkingen deelt hij hier.

* Let op: onderstaande tekst bevat licht ongepast taalgebruik *

Ik ben, laat ik mild voor mezelf zijn, een pubertijd lang vrij ruimdenkend geweest wat schelden betreft. In scheldwoorden kon ik mijn woede, enthousiasme en verbijstering kwijt. Zelfs de zware prijs die ik in een lang vervlogen zomer betaalde voor mijn verbale wangedrag – elke euro die ik verdiende bij de lokale supermarkt kon rechtstreeks de vloekpot in – had niet het gewenste remmende effect.

De impact van schelden is me inmiddels duidelijk, maar volledig afscheid nemen van deze oude gewoonte bleek lastig. Tot er een papegaai met inwendige megafoon op mijn schouder verscheen, die mijn woedende, onverstaanbare gemompel vanwege een kapotgevallen pot kikkererwten (oké vooruit: volle, romige mayonaise) onbaatzuchtig vertaalt voor meningenvormende omstanders. Pelle, noemen we hem.

Pelle kan nog niet heel duidelijk articuleren, maar scheldwoorden gaan ook hem verdo… – nee sorry – verdraaid goed af. Best confronterend, je kind horen schelden. Zelfs wanneer hij geen flauw idee heeft wat hij zegt. (Mijn arme, arme ouders.)

‘Schelm’ zeg ik nu, na een taalkundige rondwandeling langs ‘onschadelijke’ scheldwoorden. ‘Gribus’, ‘kinkel’, ‘stoethaspel’, ‘kokosmakroon’. Woorden die ik onbewust altijd verbond met mijn beeld van de brave jaren 50. Onterecht, bleek tijdens mijn kinderachtige onderzoekje.

De opkomst van ‘kokosmakroon’ als belediging heb ik niet kunnen achterhalen, maar de anderen werden reeds gebezigd in de 17e en 18e eeuw, toen men nog pieste in én dronk uit één en dezelfde rivier. Een periode, bedoel ik maar te zeggen, waarin onze gebruiken nog net even wat primitiever waren – afgemeten naar onze maatstaven althans. En in die tijd kon je mensen behoorlijk pissig krijgen met een welgemeende ‘schelm’.

Mijn fascinatie voor het fenomeen is niet uitzonderlijk, merkte ik. Het wetenschappelijk onderzoek naar schelden is verrassend rijk en veelomvattend. Zo zou vloeken het pijngevoel verminderen. Zijn speeches met lichte krachttermen blijkbaar overtuigender. Schelden chirurgen twee keer zo vaak als KNO-artsen en urologen. En constateerde een Russische wetenschapper die urenlang een glas water uitkafferde en vervolgens leeggoot over een bak plantenzaadjes, dat die zaadjes slechter groeiden dan gebruikelijk, zoals hij natuurlijk al had voorzien.

Maar de mooiste onderzoeken – ja, nog mooier dan die van de heer Gennady Tsjoerin – vind ik die waarin de scheldverschillen per periode én cultuur worden geopenbaard en verklaard. Zo zijn wij nuchtere Nederlanders uniek in ons getier met ziektes. Is de ontkerkelijking ook zichtbaar in de afname van godslastering en vullen Engelse curses een deel van de ontstane leemte – overeenkomstig het toegenomen belang van deze taal.

Ik wil hier allerminst een lans breken voor schelden, noch mijn eigen gedrag goedpraten. Mijn interesse voor taal en geschiedenis wijst me echter ook op die andere kant van dit slechte gebruik. De onderbelichte, zonnige schaduwzijde, als u begrijpt wat ik bedoel.

Scheldwoorden bieden een uniek inkijkje in de heersende taboes van een bepaalde samenleving – want hoe meer ‘pijn’ een scheldwoord doet, des te succesvoller het is. En ze leggen, daarop voortbordurend, de elastische kracht én bescheidenheid van taal bloot. Juist de sterke maar tijdelijke emotionele lading van een vloek illustreert dat onze woorden vergankelijk en immer aan verandering onderhevig zijn. En dat wij zelf, elk individu voor zich, de macht hebben om betekenis en gevoel toe te kennen aan een hoopje lege letters.

Misschien, hopelijk, klinken ‘onze’ scheldwoorden ooit even lachwekkend als ‘rekel’ of ‘ploert’ nu. Maar tot die tijd beloof ik onverbiddelijk te zijn voor Pelle: een euro in de vloekpot.

 

Zoeken:

Heb je een vraag?
Stuur ons nu een bericht!
Colofon Contact